
Leven. Alleen al bij het uitspreken ervan heeft het woord iets groots in zich. Alsof het bedoeld is om mij energie te geven. Ook als ik het in andere talen lees en uitspreek, hoor ik kracht. Vitae (Latijns), Livet (Zweeds), Maisha (Swahili), Élet (Hongaars). Zomaar wat willekeurige vertalingen, maar het lijkt dezelfde voedende uitwerking te hebben. Misschien vinden sommigen van jullie dat dit wat zweverig gedacht is, maar ik geloof dat woorden kracht hebben. Uitgescholden worden, ook door een volslagen onbekende, raakt en geeft weerstand. Als diezelfde onbekende mij ‘Het allerbeste!’ zou toeschreeuwen, zou ik hem of haar raar aankijken, maar wel moeten lachen.
We zijn allemaal geboren om dood te gaan. Voordat we dat doen leven we ons leven en denken we weinig aan het hiernamaals. Bij leven en welzijn voelen we ons op een of andere manier sterk genoeg om te doen wat we willen doen, te denken wat we willen denken en te volgen wat of wie we willen volgen zonder bang te zijn om plotseling om te vallen en nooit meer op te staan. En toch kan het.
Laatst sprak ik er met een vriendin over. We hadden het over mijn begrafenis. Geen idee hoe we bij dit onderwerp kwamen, maar het gesprek ging zo ver dat de gedachte bijna voelbaar was. Dat gevoel bezorgde ons kippenvel. Totdat ik zei dat het mijn wens was dat ik ondersteboven in de kist wilde liggen en we in een lachstuip belandden. Praten over de dood doen we liever niet. Het woord is zo bevriezend dat het uitspreken ervan een gesprek kan laten stokken.
Afgelopen maandag opende ik op mijn werk mijn mail en las het bericht dat een manager van onze dienst plotseling was overleden aan een hersenbloeding. Ze is slechts 41 jaar geworden. De klok, de dag, het leven stonden opeens stil en iedereen was verbijsterd. Dit kon niet, en toch is het gebeurd. Ze had twee dochtertjes van twee en vier, die nu gaan leven zonder mama.
Het heeft me de hele week beziggehouden.
Leven! Vitae!, Livet!, Maisha!, Élet! Ik adem in en voel het. Morgen weer een nieuwe dag, en ik pluk hem.






