
Naast witte jassen werken er in het ziekenhuis waar ik het licht zag ook andere uniformen, bijvoorbeeld in het culinair centrum. U weet niet wat dat is? O, dan help ik u graag uit de brand! Papa duidt er het restaurant mee aan. Nou ja, restaurant. Het personeel van het ziekenhuis heeft het over de bezoekershal. Beide kwalificaties zijn volgens papa ‘out of order’. De ambiance: plastic tafels, stoelen, planten en prullenbakken, een lege snoepautomaat en een apparaat waar in plastic bekertjes bruine modder uitkomt. Iemand vroeg aan papa of het koffie of thee was wat hij dronk. Papa zei: ”Smaakt het naar terpentijn of naar zeep?” De man proefde nog eens en zei: “Naar zeep!” Dan was het koffie, volgens papa.
Om een beeld te krijgen van wat je verder aan culinaire ervaringen op kunt doen in een ziekenhuis, probeer je voor te stellen dat je een week of zes dagelijks kunt kiezen uit het volgende menu: vis met vegetarische saus, kip met vegetarische saus, gebakken vis, gebakken kip. Deze specialiteiten worden opgeleukt door een bijgerecht bestaande uit worteltjes met lichtgevende doperwten, of lichtgevende doperwten met worteltjes, of worteltjes, of lichtgevende doperwten. Het geheel op een bedje van kauwgum, genaamd aardappelpuree. Of reeds een keer gegeten en weer opgedroogde kauwgum, genaamd aardappel. En dat weer begeleid door een plastic bakje met ‘boerensalade’. Stel je daarbij voor een soort mengsel van flintertjes paprika, restanten sla en een soort papje, dressing genaamd. O, ik vergeet iets: de soep. Die zal ik niet beschrijven, er zijn grenzen. Het dessert bestaat uit... nee, ik durf niet meer.
Ik probeer te visualiseren hoe het is om 25 jaar als ziekenhuiskok (what 's in a name) zo te moeten werken. Ik geloof dat ik na een jaar al comateus zou zijn. Maar dan ben je wel gelijk op de juiste plek natuurlijk.
Enfin, papa, mama en ik hadden na een kleine week de kans om te ontsnappen van afdeling 2b en gingen op zoek naar het restaurant. Om daar eens echt te eten. Je begrijpt: we hadden er zin in en de sfeer was dan ook ronduit feestelijk. We voelden ons echt onthaald in Le Sableur, zoals het centrum heet.
Papa vroeg: "Waar komt de naam Le Sableur vandaan?". De begeesterde jongeman achter de bar vond dat irritant: zag papa dan niet dat hij zat te lezen? Nadat hij zich had ontdaan van zijn tijdschriftje, zei hij tegen papa: "Hoezo?". Dat was de laatste keer dat wij hem op een woord met meer dan één lettergreep hebben kunnen betrappen. Enfin, hij wist niet dat het restaurant zo heette. Zijn collega, een dame met een snor en de warme en gastvrije uitstraling van Poetin, wist het wel en dacht dat "het iets met de Middeleeuwen en ridders en zo was". Papa kreeg vochtige ogen van zoveel gepassioneerde betrokkenheid bij dit culinaire team.
Het eten bleek te bestaan uit in cellofaan verpakte broodjes met een houdbaarheidsdatum tot ver voorbij mijn meerderjarigheid. Die werden door mevrouw Snorremans opgepiept in een magnetron en wat dan ontstond was een klef wit puntje met daarop een kledder oranje, rood, bruin of geel slachtafval met telkens ongeveer dezelfde smaak. Welk dier het was is nooit duidelijk geworden. Het hield het midden tussen een vis en een kip, met de geur van natte hond. Mijn papa is niet bang om op het gebied van eetervaringen enige risico's te nemen, hij durft veel. Hij eet bijna alles wat ouders heeft en zelfs wat dat niet heeft. Volgens mama is papa geen omnivoor, maar een culinair barbaar. Wat haar betreft zou hij op het platteland van China prima functioneren. Mama eet niets waar dieren in zitten, niets waar ‘stukjes’ in zitten en niets wat zij niet kent (wat alles is dat niet uit Italië komt). Papa had dan ook veel beter in het ziekenhuis kunnen liggen. Hij zou zich uiteindelijk gewoon vergrepen hebben aan de kok zelf, onder het motto ‘Laten we hem eens uit ons lijden verlossen’.
Voor mijn vegetarische mama was Le Sableur echter weer een bloedstollende ervaring. We zijn dus maar een patatje oorlog gaan pakken. Dat was een voorbode voor de latere communicatie tussen papa en mama. En het was voor mama na zeven weken ziekenhuis een soort culinair orgasme.
Papa heeft later betere namen voor het restaurant bedacht en gepolst wat anderen ervan vonden. Dit was de top: ‘Le magnetron’, ‘Het laatste avondmaal’, ‘The Greasepit’, ‘Cafe Restaurant Recycling’, ‘Miserable’. Papa heeft het destijds horen ruisen door de gang van het ziekenhuis dat er een nieuwe ‘faciliteit’ zou komen qua ‘eetgebeuren’. Als dat zo is komen papa en ik op de opening. Mits de staf vervangen is. Maar mama mag niet mee, om nieuwe bloedstollende taferelen te voorkomen…






